De kantonrechter in Eindhoven oordeelde op 17 februari 2011 over de ontbinding van een arbeidsovereenkomst met een zwangere werkneemster wegens bedrijfseconomische omstandigheden. De werkgever (een VOF) exploiteert een interieurwinkel. Naast de eigenaar en zijn vrouw, waren er nog twee personeelsleden in dienst. De inkomsten van de winkel waren teruggelopen als gevolg van de economische recessie. Om die reden wil de werkgever de twee werknemers ontslaan. Met één van de werknemers is een beëindigingovereenkomst gesloten. De andere werkneemster is niet akkoord gegaan met ontslag omdat zij zestien weken zwanger is. Zij beroept zich op de reflexwerking van het opzegverbod wegens zwangerschap en vraagt aandacht voor haar beperkte kansen op de arbeidsmarkt. De werkgever vraagt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het UWV heeft eerder toestemming verleend, maar van die toestemming kon geen gebruik worden gemaakt vanwege het verbod om op te zeggen als de werkneemster zwanger is. De werkneemster is al drie jaar in dienst, is geboren in 1976 en als laatste salaris ontving zij € 894,50 bruto per maand. De kantonrechter vindt dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden, hij let daarbij op de moeilijke financiële situatie van de werkgever en op het feit dat de arbeidsplaats is komen te vervallen. Hij is het eens met het UWV. De werkneemster krijgt wel een vergoeding omdat de omstandigheid dat het bedrijf minder inkomsten heeft, voor rekening en risico komt van de werkgever. Er is geen verband vastgesteld tussen de zwangerschap en het ontbindingsverzoek. Het opzegverbod bij zwangerschap geldt namelijk niet als er geen verband is tussen de zwangerschap en de ontbinding. De werkneemster krijgt een vergoeding van € 1.500 bruto die de werkgever bereid is te betalen.