Deelneemster aan tv-programma werkzaam in privaatrechtelijke dienstbetrekking?

De Hoge Raad heeft op 25 maart 2011 geoordeeld over de kwestie of deelneemster van het programma ‘De Gouden Kooi’ werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Er is een overeenkomst getekend door de deelneemster en de producent van het programma die is gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. Daarin is opgenomen dat de deelneemster € 2.250 per maand krijgt als schadeloosstelling. Toen de deelneemster is weggestemd, heeft zij een WW-uitkering aangevraagd bij het UWV. Deze werd geweigerd. Hierop heeft de deelneemster bezwaar en beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens het beroep gegrond verklaard en de CRvB heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het UWV heeft tegen de uitspraak van het CRvB beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Het ging er bij de Hoge Raad om of er een onjuiste uitleg of verkeerde toepassing van het begrip ‘in privaatrechtelijke dienstbetrekking staan’ had plaatsgevonden. Belangrijk hierbij is of er sprake was van een arbeidsovereenkomst. De Centrale Raad heeft als vereisten voor het aannemen van een dienstbetrekking gesteld een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. De Centrale Raad is terecht uitgegaan van de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. De Centrale Raad heeft juist geoordeeld.

Nr. 10/02146, LJN BP3887, JAR Geannoteerd aflevering 3 – 13 mei 2011.

 

Kennelijk onredelijk ontslag: extra inspanning voor boventallige werknemer

Extra inspanning voor boventallige werknemer die moeilijk plaatsbaar is door lichamelijke beperking. Ten onrechte passeren van bewijsaanbod en ten onrechte X-Y-Z- formule toegepast.

De Hoge Raad heeft op 11 maart 2011 geoordeeld in de volgende zaak:
Een werknemer heeft na een periode van ziekte zijn werkzaamheden weer opgepakt op therapeutische basis. Vervolgens is hij 100% arbeidsgeschikt gemeld. Werkgeefster heeft hem enige tijd later met toestemming van het CWI ontslagen op grond van economische dan wel organisatorische gronden. Het ontslag was onderdeel van een reorganisatie. De werknemer had in zijn geval vanwege het toepasselijke Sociaal Kader de keuze uit bemiddeling voor een andere functie of een financiële regeling. De werknemer koos voor het eerste, maar dit heeft niet geleid tot een andere baan. De werknemer heeft gevraagd het ontslag als kennelijk onredelijk aan te merken omdat het zou berusten op een voorgewende reden dan wel dat de gevolgen voor hem te ernstig zijn in verhouding tot het belang van de werkgeefster. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en het hof heeft was het met de kantonrechter eens. Volgens de Hoge Raad heeft het hof ten onrechte het bewijsaanbod van de werknemer gepasseerd dat de werkzaamheden die de werknemer als laatste verrichtte nog bij dezelfde werkgeefster plaatsvonden, na de reorganisatie. Dit betreft immers de kern van de discussie, terwijl uit het oordeel van het hof terug te halen is dat, als dit juist is, er sprake kan zijn van voorgewende reden van ontslag. Het hof heeft zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van de werknemer. Die stellingen houden in dat in de bemiddeling geen rekening werd gehouden met de ernstige handicap van de werknemer en dat was nagelaten een belastbaarheidsonderzoek te laten verrichten ondanks dat dat was aangewezen. Dit heeft betrekking op hoe de werknemer vindt dat de begeleiding naar ander werk ingericht had moeten worden en is essentieel. Van werkgeefster mocht extra inspanning worden verwacht om de werknemer bij een andere werkgever aan een baan te helpen omdat hier in overleg voor was gekozen. Het hof had ook het bewijsaanbod niet mogen passeren dat vanuit het toenmalige CWI is aangeraden een belastbaarheidsonderzoek te laten doen en dat werkgeefster dit heeft geblokkeerd. Het hof heeft tot slot verkeerd geoordeeld om de schadevergoeding vast te stellen door middel van de ‘X-Y-Z-formule’ wanneer er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

Nr. 10/01064, LJN BO 9624, JAR Geannoteerd aflevering 3 – 13 mei 2011.

 

Kantonrechter is bevoegd bij kennelijk onredelijk ontslag van bestuurder

De Rechtbank in Roermond heeft op 2 februari 2011 bepaald dat de kantonrechter bevoegd is bij een kennelijk onredelijk ontslag van een bestuurder. In deze zaak ging het om de vraag of de sector civiel deze zaak moest behandelen of de kantonrechter. Het ging om een vordering van een bestuurder van een besloten vennootschap tot vergoeding van schade wegens kennelijk onredelijk ontslag.  De bestuurder vindt dat de sector civiel van de rechtbank bevoegd is om te oordelen over de arbeidsrechtelijke aspecten van het ontslagbesluit, tenzij partijen samen anders zijn overeengekomen en het ontslag is aangezegd in strijd met een wettelijk ontslagverbod. De bestuurder wijst op een eerdere zaak bij de Hoge Raad waar de Hoge Raad heeft bepaald dat met het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit meteen een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en dat er daarmee ook sprake is van een schadevergoeding op die grond. De rechtbank oordeelt dat de kantonrechter de zaak moet behandelen omdat het gaat om rechtsvragen die door het arbeidsrecht beheerst worden en het geen vragen betreft die gerelateerd zijn aan Boek 2 BW.

Nr. 98336/HA ZA 10-12, LJN BP3325, JAR Geannoteerd aflevering 3 – 13 mei 2011.

 

Kantonrechter onbevoegd in ontbindingsprocedure vanwege arbitragebeding

De kantonrechter in Amsterdam verklaarde zich op 15 december 2010 onbevoegd in een ontbindingsprocedure. Een werknemer is op 1 januari 1996 in dienst getreden bij de werkgever als medisch specialist. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat wanneer er een geschil ontstaat tussen beide partijen het Scheidsgerecht Gezondheidszorg bevoegd is hierover te beslissen. Op 3 april 2009 heeft de werkgever een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij het Scheidsgerecht gedaan. Op 30 juni 2009 heeft het Scheidsgerecht de arbeidsovereenkomst per 3 september 2009  ontbonden. Deze beslissing heeft de Rechtbank Utrecht op 4 augustus 2010 vernietigd. Tegen deze vernietiging is de werkgever in hoger beroep gegaan. Hierop is nog geen beslissing gekomen. In de tussentijd heeft de werkgever een voorwaardelijk (tweede) ontbindingsverzoek ingediend bij het Scheidsgerecht. Dit verzoek is afgewezen. De werkgever verzocht daarop de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter stelt vast dat er tussen partijen een arbitragebeding geldt. Wanneer er tijdig beroep is gedaan op dit beding om van het geschil kennis te nemen, dient de gewone rechter zich onbevoegd te verklaren. De kantonrechter is pas weer bevoegd wanneer het vonnis, waarin een arbitraal vonnis vernietigd is, onherroepelijk is geworden. De werkgever heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht dus dit vonnis is nog niet onherroepelijk geworden. Op elk moment kan een verzoek tot ontbinding worden ingesteld, dit betekent alleen niet dat de arbitrageovereenkomst niet zou gelden. Het Scheidsgerecht heeft zich overigens in beide ontbindingsverzoeken bevoegd verklaard, dit betekent dat de gewone rechter niet bevoegd is. De werkgever is dus niet-ontvankelijk in zijn verzoek, dit houdt in dat zijn verzoek niet vatbaar is voor berechting door de kantonrechter.

Nr. 1189978 EA VERZ 10-1717, LJN BO 8932, JAR Geannoteerd aflevering 3 – 13 mei 2011.