De Hoge Raad oordeelde op 22 april 2011 over een ontslag op staande voet. De werknemer heeft zich ziek gemeld en diezelfde dag is een controleur van een arbodienst langs zijn woning gegaan. De werknemer bleek niet in zijn woning te zijn. Zijn zoontje vertelde dat hij waarschijnlijk in zijn nieuwe woning aan het klussen was. De werkgeefster heeft de werknemer vervolgens op staande voet ontslagen omdat hij geen toestemming had gevraagd of mede had gedeeld dat hij tijdens zijn ziekte aan het klussen was. De werknemer heeft in kort geding loonvordering gevorderd en gekregen. De werkgeefster heeft het loon toen doorbetaald tot de (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer heeft een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven met nevenvorderingen. De werkgeefster heeft gevorderd te verklaren dat het ontslag rechtsgeldig was en heeft terugbetaling van het loon gevorderd wat zij heeft doorbetaald. Het ontslag was volgens de kantonrechter niet rechtsgeldig. Het hof heeft de kantonrechter gelijk gegeven. In cassatie klaagt de werkgeefster dat het hof de ontslaggrond te beperkt heeft uitgelegd, door deze zo uit te leggen dat de werkgeefster de werknemer heeft verweten dat hij is gaan klussen tijdens zijn ziekte. De werknemer zou zijn ontslagen omdat hij met de ziekmelding bedrog had gepleegd en de controlevoorschriften niet had nageleefd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. De ontslaggrond moet zo worden geformuleerd dat het voor de werknemer meteen duidelijk is waarom hij wordt ontslagen. Dit kan ook uit gedragingen worden afgeleid. De ontslaggronden die in cassatie naar voren werden gebracht door de werkgeefster heeft het hof niet gelezen in de ontslagbrief.
Nr. 09/04244, LJN BP5606, JAR aflevering 7 – 14 mei 2011.