De kantonrechter Utrecht oordeelt op 24 maart 2011 over de reflexwerking van een opzegverbod. De werknemer is op 1 februari 2005 bij de werkgever in dienst getreden in de functie van servicetechnicus. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Zijn argument daarvoor is dat de werknemer met ingang van november 2006 voor de duur van ruim twee jaar ziek is geweest als gevolg van psychische problemen. De werknemer heeft daarna zijn werk in 2009 weer opgepakt, met uitzondering van storingsdiensten. Sinds 2010 is de werknemer weer arbeidsongeschikt geworden. De werkgever vindt dat re-integreren in het eigen werk geen zin heeft en verwijst daarvoor naar de conclusie van de bedrijfsarts die op 15 juni 2010 heeft geoordeeld dat dit werk voor de werknemer te belastend is. Alternatieve functies die voor de werknemer geschikt zouden zijn, zijn bij de werkgever niet voorhanden. De kantonrechter overweegt of onderzocht moet worden of het ontbindingsverzoek iets te maken heeft met het opzegverbod. De kantonrechter moet controleren of er opzegverboden aanwezig zijn. Dat alleen ruimte is voor reflexwerking van het opzegverbod als de ontbinding wordt verzocht wegens ziekte klopt niet. Het opzegverbod van artikel 7:670 BW is een tijdens-verbod, dat geldt ook voor opzeggingen die niets met de ziekte te maken hebben. Er bestaat minder of geen aanleiding voor toekenning van reflexwerking aan het opzegverbod tijdens ziekte wanneer er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid of van een ontbinding op bedrijfseconomische gronden waarbij vooraf uitgesloten is dat de werknemer na zijn herstel herplaatst kan worden. De kantonrechter is van mening dat beide situaties zich hier niet voordoen. Aan het opzegverbod tijdens ziekte komt geen reflexwerking toe. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.