De kantonrechter in Rotterdam oordeelt op 11 maart 2011 over de verplichting tot het terugbetalen van studiekosten aan de werkgever. De werkneemster heeft van 15 juli 1991 tot en met 1 juli 2009 bij de werkgever gewerkt. De arbeidsovereenkomst is beëindigd op basis van een vaststellingsovereenkomst waarin overeen is gekomen dat werkneemster en werkgever niets meer van elkaar te vorderen hebben. De werkneemster is medio 2007 een driejarige opleiding personeelsmanagement gaan volgen. De werkgever heeft de eerste en de tweede termijn van deze opleiding betaald. De rekening van de derde en laatste termijn van € 4.314,47 heeft de werkgever aan de werkneemster doorgestuurd. De werkneemster heeft deze vordering betaald en vordert nu vergoeding daarvan door de werkgever. De kantonrechter stelt vast dat bij de werkgever een studiekostenregeling geldt. Daarin wordt een onderscheid gemaakt tussen een studie waar de werknemer zelf om gevraagd heeft en her- en bijscholingscursussen op initiatief van de werkgever. Partijen verschillen van mening over de vraag welk type studie in dit geval aan de orde is. Er zijn hierover geen schriftelijke afspraken gemaakt. De kantonrechter vindt dat de werkgever duidelijk had moeten maken welke regeling van toepassing is op de studie van de werkneemster. Dit heeft de werkgever niet gedaan en daarom gaat de rechter uit van de meest gunstigste regeling. Dit is de regeling voor her- en bijscholingscursussen. Deze houdt in dat de werkgever de volledige kosten vergoedt en dat de werknemer niet verplicht is deze terug te betalen bij vertrek binnen twee jaar na afloop van de cursus. De regeling zegt niets over het vertrek tijdens de opleiding. De kantonrechter vindt dat in deze situatie de kosten van de opleiding door de werkgever betaald moeten worden. De werkgever heeft de eerste twee termijnen betaald en het ontslag kwam van hem uit. Tijdens de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst zijn de studiekosten ook niet aan de orde gekomen. Als de werkgever terugbetaling van deze kosten had verwacht, had hij dat ter sprake moeten brengen. Hij heeft dit niet gedaan dus kan hij zich ook niet beroepen op hetgeen overeengekomen is in de beëindigingovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is geen voorziening getroffen voor de studiekosten, deze kunnen daarom niet geacht worden te zijn kwijtgescholden. De werkgever moet het bedrag van € 4.314,47 aan de werkneemster vergoeden.
Nr. 1126609 CV EXPL 10-35412. JAR aflevering 7 – 14 mei 2011.